Ziekenhuis

Het zal wel aan mij liggen, maar ik heb soms zo’n medelijden met mensen. Vandaag ook. Een vriendin van mij was geopereerd, dus die zocht ik op in het ziekenhuis. Snel na het werk, dus bij de ingang een veel te dure bos verwelkte bloemen gekocht, je kent het wel. Ik heb een teringhekel aan ziekenhuizen dus het was een behoorlijke opgave.

Je kon zien dat het bezoekuur was. Vanaf de parkeerplaats liepen her en der groepjes mensen naar de ingang, en ze verzamelden zich op de begane grond, bij de liften. Luie donders, traplopen is een uitstekend middel tegen bewegingsarmoede waar jullie massaal aan lijden. Die vriendin was erg blij om me te zien. Ze loog dat ze de bloemen prachtig vond en sprak de waarheid toen ze vertelde hoe blij ze ermee was. Ze lag op een kamer voor drie personen. Tegenover haar lag een man te snurken, zwaar vertrokken naar dromenland, ondanks dat hij visite had. Zijn visite bestond uit twee vrouwen en een man. Zijn vrouw en zijn broer met aanhang. Ze kletsten onderling, onverstaanbaar gemompel. Naast die vriendin van mij lag nog een man. Of beter gezegd, hij zat. Op een stoel naast zijn bed. Hij oogde als een uiterst vriendelijk baasje, enigszins op leeftijd. Kaal hoofd, rimpels, brilletje en een bierpens.  Ik glimlachte naar hem en hij knikte vriendelijk terug. Zijn enige gezelschap bestond uit een driepoot op wieltjes waaraan een infuuszak hing. Wat vreselijk leek mij dat. Zo’n leeftijd bereiken en dan op de afdeling oncologie belanden, toch niet de eerste de beste afdeling zullen we maar zeggen. En dat er dan niemand  voor je is. Niemand in de hele wereld die jou belangrijk genoeg vindt om even te komen kijken hoe het met je gaat, of je een hart onder de riem te steken. Ik zat gezellig met haar te kletsen maar intussen gingen mijn gedachten uit naar dat vriendelijke eenzame baasje. Ik stelde me voor hoe ik me zou voelen, ik zou me haast schamen voor het niet hebben van visite, net alsof er iets mis is met je. Toen het tijd was om op te stappen gaf ik die meid drie zoenen en zei ik op vriendelijke toon ‘Dag!’ tegen haar eenzame buurman. ‘Daahaag!’ groette hij mij vriendelijk terug. Eenmaal buiten ademde ik de frisse buitenlucht diep in. Er zat al iets van herfst in de lucht. Ik ademde weer uit en ik was blij dat ik buiten was. Ziekenhuizen, ik kom er niet graag. Terwijl ik terugliep naar de auto zag ik een andere auto naast de mijne parkeren. Er stapte een vrouwtje uit dat qua leeftijd wel bij het eenzame baasje zou passen. Ze was gehaast en spoedde zich naar de ingang. Ik hoop maar dat ze voor mijn eenzame vriend kwam. En de volgende keer een beetje op tijd he, stom wijf.

 

Be the first to comment

Leave a comment

Your email address will not be published.