Schreeuwen in IKEA

Deze week vroeg Nico Dijkshoorn zich in De Volkskrant af wat de verhalen zouden zijn als hij mensen onderaan de roltrap bij IKEA zou interviewen. Een gescheiden moeder wiens enige dochter uit huis ging. De pijn die ze voelde tijdens het aanschaffen van spulletjes voor haar nieuwe onderkomen. Vrezend voor de leegte en stilte in haar huis. Dat soort vragen stel ik mijzelf ook vaak, als ik in IKEA rondloop. Het mooie is dat je die vraag eigenlijk niet hoeft te stellen. Wie goed observeert, kan oneindig veel van mensen aflezen. 

Zo kan ik prima zien of iemand uit eigen beweging naar IKEA is gekomen, of dat hij eigenlijk totaal geen zin had, maar mee moest van z’n wijf. Een jong stelletje dat gaat samenwonen en verliefd is op een bank die ze niet kunnen betalen, een pas gescheiden man die een appartement zo groot als een schoenendoos betrekt of een vrouw met een dikke buik die een babykamer samenstelt, ik lees de antwoorden van de mensen af.

Onderaan de trap, waar hij met zijn camera zou staan, trof ik geen Nico. Geen camera. Wel een spiegel. Daar zag ik een jongeman, hooguit in zijn early forties. Een paar grijze plukjes staken onder zijn baseballcap uit. De cap had een gesp-sluiting natuurlijk. Klitteband is voor losers. Het ontbrak hem aan talent. Dat was duidelijk. Een mislukt muzikant en een onbegenadigd schrijver. Alleszins geen Nico Dijkshoorn.

Niet dat het hem een reet kon schelen, hij plukte af en toe wat snaren en bundelde zijn columns die verder niemand las. Het was hem om het even. Ook zijn veroordeling tot levenslange kantoorslavernij deerde hem niet.

Gaf hem eens ongelijk. Hij liep daar met een prachtige vrouw aan zijn arm. En twee vrolijke gezonde knaapjes met een zelfgetapt ijsje. Eerst kwam hij met een wieg en een commode naar beneden. Enkele jaren later met een stoere hoogslaper. Menigmaal kwam hij die trap af. Keer op keer was schreeuwen overbodig.

Tranen van geluk. Die waren op hun plaats.