De brouwerij

Ik was negentien. Nog niet eens student maar verkeerde al wel in geldnood. De brouwerij bood uitkomst. Na bemiddeling door het uitzendbureau kreeg ik daar een functie aangeboden. Tegen vergoeding van een rijkelijk minimumloon werd ik ‘chef de bouteille’. Die functietitel had ik mezelf toegeëigend. 

In drie shifts bewaakte ik met mijn collega’s de voortgang van alle bierflesjes die op de lopende band voorbijkwamen. Ik had de verantwoordelijke taak om alle eventuele omgevallen flesjes onmiddellijk rechtop te zetten. Met een haak. Soms gebeurde er uren niets. Dan stond je daar maar, te kijken naar alle flesjes die langskwamen. Maar je moest scherp blijven. In een enkel geval kwamen er plotseling twee omgevallen flesjes tegelijk voorbij. Moest je die met één haak mooi wel meteen rechtop zien te krijgen. Dan gebeurde er weer een uur niets, of vijf minuten, wie zou het zeggen.

Joop had tegen iedereen een grote bek. Het interesseerde hem geen flikker wie hij voor zich had.

Het mooiste moment van de shift was de pauze. Tijdens de pauze leerde je je collega’ s kennen. Mijn favoriete collega was zonder enige twijfel Joop. Joop had zoals vrijwel iedereen op de brouwerij een enorme bierbuik, hij reed op een scooter en had tegen iedereen een grote bek. Altijd. Het interesseerde hem geen flikker wie hij voor zich had. Ik mocht dat wel. Niks schijnheilig gelul. Gewoon een grote bek. Wanneer je met Joop communiceerde was het de kunst om je niet aangevallen of geïntimideerd te voelen door zijn grote bek. Wie dat wel deed en in de verdediging schoot, kreeg een nog veel grotere bek van Joop. Naast zijn enorme buik droeg Joop een lastige jeugd en een reusachtig dossier bij personeelszaken met zich mee.

Ik liet me niet provoceren. Als Joop mij met een veel te grote bek aansprak, praatte ik terug op een toon alsof ik aan een kleuter moest uitleggen waarom hij  nu eventjes geen snoepje kreeg. Dan damde hij in. Dit ritueel moest telkens herhaald worden. Vaak meerdere malen per dag.

‘Eentje mag!’ kreeg hij te horen zonder dat iemand hem aankeek.

Joop was tijdens de pauze altijd de eerste die een biertje voor je neus zette. In de kantine van de brouwerij stond namelijk een tap. Een biertje kostte vijfentwintig cent. Een uitzendkracht die mij vergezelde waagde het ooit om te bedanken voor een biertje. ‘Je werkt hier niet in de melkfabriek!’ blafte Joop hem toe. Een dag later begon-ie weer over dat bier. Of het wel mocht, bier drinken in de pauze. ‘Eentje mag!’ kreeg hij te horen zonder dat iemand hem aankeek. De uitzendkracht was geen lange carrière in de brouwerij beschoren.

Mij hoorde je niet. Mijn focus lag erop om in dat halfuurtje pauze zoveel mogelijk bier achterover te slaan. De beste manier om zo’n zware shift te doorstaan was met zoveel mogelijk alcohol in mijn bloed. Een leeg glas stond nooit lang voor je neus. Een leeg glas werd onmiddellijk omgespoeld en vervangen door een vol glas. Op die manier kon een eventuele pottenkijker altijd worden wijsgemaakt dat aan de ‘eentje mag’ regel werd voldaan. Zo ging dat, in de brouwerij. Het waren de jaren ’90.

Ik ging studeren en was genoodzaakt om af te treden als ‘chef de bouteille’. Tijdens mijn studie fietste ik vrijwel dagelijks lang de brouwerij. Regelmatig dwaalden mij gedachten af naar de epische pauzes. Tot ik op een dag langsfietste en ik zag dat het licht niet brandde. Dat was het begin van het einde. Blijkbaar had ook daar het ‘leadership’ besloten dat het allemaal sneller en efficiënter moest. Jarenlang stond de brouwerij leeg. Hij raakte enigszins in verval. Ik vermoedde dat hij ooit zou worden platgegooid om plaats te maken voor nieuwbouw.

Decennia later besloot mijn maat Gordon op een mooie dag dat we eens een hapje gingen eten. Hij wist een heel leuk tentje. Tot mijn verbazing fietsten we naar de brouwerij. Daar stapte ik vijfentwintig jaar terug de tijd in. Hoewel het een prachtig restaurant was geworden, herkende ik nog veel details uit de oude bierfabriek. Die smalle metalen trapjes natuurlijk, de tegeltjes aan de muur en zelfs de enorme brouwketels waren slechts ten dele verwijderd, om het interieur van het restaurant, met uitstekende bierkaart, een welverdiend authentiek karakter te geven.

Deze diashow vereist JavaScript.

We genoten op hedendaagse wijze van goed eten en heerlijk bier. Dat had ik me in de jaren ’90 niet kunnen voorstellen. Ik had toen nog nooit gehoord van IPA’s, foodhipsters of euro’s. Joop was er niet. Ik heb hem nooit meer gezien.