Levend standbeeld

Ik heb mijn roeping gemist. In mijn hele jeugd heeft niemand mij op deze mogelijke beroepskeuze gewezen. Nooit. ‘Ja maar wat kan ik dan worden, als ik het VWO heb afgerond?’ was mijn grote vraag. ‘Afhankelijk van de vakken die je kiest, in principe alles.’ Dat zal best, dacht ik, maar dan weet ik nog niks. Toen heb ik zelf maar een aantal opties de revue laten passeren: astronaut, gitaarheld in een metalband of avonturier. Zoals mijn vaste lezers inmiddels weten, heb ik uiteindelijk mijn keuze laten vallen op het kantoorslaafschap.

In mijn jeugd zag ik ze nooit. En ik vraag me soms nog steeds af of ze wel echt bestaan. Levende standbeelden. Ik bedoel, ze zijn er, of ze zijn er niet. Je ziet nooit iemand met een koperkleurig gezicht over straat lopen, met een koffer vol standbeeldattributen, op weg naar zijn werk.

Afgelopen weekeinde struinden we met zijn viertjes door Antwerpen. Vinden we leuk. Ineens stonden we oog in oog met een levend standbeeld. Een groene. Hij had zich mythisch uitgedost en droeg een grote, kleurrijke toverstaf. Een griezel was het. Dat was ook mijn zoontjes niet ontgaan. Toen ik betoverd naar het standbeeld bleef staan kijken, klampten ze zich aan me vast. Ik gaf ze allebei 20 cent om in zijn omgekeerde hoed te gooien, maar ze durfden niet. Dat moest wel, want meestal doen levende standbeelden, in tegenstelling tot gewone, iets leuks als je ze een paar centen geeft. Ook na enig aandringen wilden ze niet. Toen heb ik het zelf maar gedaan. De jongens bleven op veilige afstand bij mama.

Ik wierp de 40 cent in zijn hoed. Zodra mijn vallende muntjes contact maakten met die van eerdere vrijgevige passanten, gaf zijn toverstaf licht, langzaam draaiend in diverse kleuren. Het standbeeld reikte mij op sierlijke wijze zijn hand. Ik voelde me vereerd en schudde zijn hand vriendelijk. Dat ging erg stroef, je kon wel merken dat het hier een standbeeld betrof. Toen ik ‘m losliet, toverde hij twee lolly’s tevoorschijn. Genoeg reden voor onze jongens om hun angsten te overwinnen en de lekkernijen in ontvangst te nemen. Normaal vraag ik ze in zo’n situatie om netjes te bedanken, maar dat leek me nu overdreven. Dus toen zei ik het zelf maar: ‘Dankuwel meneer. Of eh.. mevrouw. Want dat kan ik niet zien, maar dat kan natuurlijk ook hè,’ stamelde ik ineens. Het standbeeld schudde zijn schouders en lachte. Met een zware, grommende stem. Onze jongens hadden de buit binnen en stonden weer bij mama.

Even later zaten we ergens te eten en ik besefte ineens dat ik mijn roeping had gemist. Wat nou kantoorslaaf, living statue! Dat had ik moeten worden. Dus ik piepte er tussenuit met een smoesje dat ik moest pissen en liep even terug naar het standbeeld. Gelukkig, hij stond er nog. Gretig liet ik me informeren over het levende standbeeldenbestaan, de studie die eraan vooraf ging en het thema dat je diende te kiezen. Het standbeeld vroeg of ik het allemaal niet enigszins romantiseerde en vertelde me dat er ook enkele nadelen kleven aan het vak. Maar daar wilde ik niks van weten.

Eenmaal thuis had ik een vrije dag ingepland. Die reserveerde ik voor mijn standbeeldenstage. Mijn thema werd ‘Metal Gnoom’. Ik had een zwart gewaad om, dat ik zo had bewerkt dat het werkelijk brons leek. Uit de schenen van mijn laarzen staken honderden spijkers en ook om mijn nek en polsen had ik lederen banden waaruit angstaanjagende pinnen staken. Om mijn nek hing een dikke ijzeren ketting met daaraan een opblaasbare elektrische gitaar. Ik had mezelf op een omgekeerd sinaasappelkistje gezet om autoriteit af te dwingen. Ik had meer haar dan ooit. Zo was ik nog even voor de spiegel gaan staan. Man, wat was ik een mooi levend standbeeld.

Klein beginnen. Dat had het standbeeld me geadviseerd. Prima, ik woon in een kleine stad en bij ons heb ik in het centrum nog nooit een standbeeld gezien. Maar het kon nog kleiner. Bij ons in de straat heb je zo’n hofje waar mensen hun auto kunnen parkeren. Iedereen die ’s ochtends met de auto naar zijn werk gaat moet hierlangs. Perfecte locatie dus. In alle vroegte heb ik me strategisch gepositioneerd. Het was nogal vreemd. De eerste vroege vogel die me zag liep me straal voorbij. Alsof ik niet bestond. Het liefst wilde ik iets roepen, zo van: ‘Hé! Hier staat ineens een standbeeld hoor!’ Maar ja, standbeelden maken geen geluid natuurlijk. De meeste mensen leken nogal bang te zijn van mij. Ze liepen in een grote boog om me heen en probeerden uit alle macht om oogcontact te vermijden. Ze stapten allemaal vlug in de auto. Aan de overkant stond een wijf door de gordijnen te loeren.

Wat ik me niet had gerealiseerd, is dat ook een levend standbeeld af en toe moet pissen. En vanwege de kou moest ik plotseling heel nodig. Kut man, ik kon er niet vandoor gaan. Dit was mijn moment of fame. Zou best raar zijn, als de mensen ineens een levend standbeeld, een Metal Gnoom, bij mijn huis naar binnen zien gaan. Het werd nog erger. Er kwam politie de straat ingereden. Verrek! Die zijn natuurlijk gebeld door die loerende bitch aan de overkant. De agent die uitstapte was een droogkloot. Hij keek me aan, maar hij zei niks. In plaats daarvan liep hij een rondje om me heen. ‘Sja, ’t is niet verboden. Kom, we gaan,’ riep zijn maat uit de auto. De agent haalde een euro uit zijn zak en wierp deze in mijn doodskopbeker. ‘Succes jongen, agent zijn is  ook niet alles.’

Een uur later kwam die agent weer langs. Op zijn fiets. ‘Luister, ik durfde het daarstraks niet te vragen, met mijn collega erbij. Maar toen ik jou zag staan, op je sinaasappelkist, toen besefte ik ineens dat ik mijn roeping heb gemist.´

 

Be the first to comment

Leave a comment

Your email address will not be published.