‘Ik heb hem.’

Iedereen komt wel eens in de IKEA. En iedereen die daar komt, die hoort het wel eens: via de omroepspeaker worden alle bezoekers verzocht om uit te kijken naar een kwijtgelopen kindje. Het is een jongen of meisje van zo oud, met van die en die schoentjes en een blauw jasje en blond haar.

Op zulke momenten keken mijn meisje en ik elkaar altijd even aan. We deelden een blik die verraadde: ‘Welke ouder raakt nou zijn kind kwijt. Dat snap je toch niet?’ En dat klopt. Wij snapten dat niet. We hadden toen één zoon en die liep keurig aan de hand met ons mee. Soms zat hij in een wagentje of rende hij ergens heen, zoals alle kinderen doen. Maar nooit verdween hij van onze radar.

Toen nummer twee erbij kwam veranderde dat. Helemaal toen die ook kon lopen. We stonden de voor en nadelen op te noemen van enkele fotolijstjes om de slaapkamer mee te verfraaien. Na uitgebreid overleg werd een keuze gemaakt en een commando om te hergroeperen afgegeven. De oudste voegde zich bij ons maar de jongste niet.

Kan gebeuren. Het komt meer voor dat hij van achter een stellage tevoorschijn springt en ‘Biekoe biekoe!’ roept. Hij kan nog geen kiekeboe zeggen. Maar deze keer gebeurde dat niet. Ik riep, net als mijn meisje, diverse keren zijn naam, luid en duidelijk door de fotolijstjesafdeling. Geen biekoe biekoe.

Vlug liepen we door alle gangetjes van de afdeling om te kijken waar hij zich had verschanst. Om weer uit te komen op het punt waar we zo-even ook stonden en moesten vaststellen dat we nog altijd slechts met zijn drieën waren. Het besef dat we hem kwijt waren hakte erin. Angst maakte zich van mij meester. De meest verschrikkelijke scenario´s spookten door mijn hoofd.

´Jij die kant op, ik deze,´ vond mijn meisje. Zij ging stroomafwaarts richting de kassa´s en ik ging met onze oudste aan de hand stroom opwaarts. Hij kon immers maar twee kanten opgegaan zijn. De oudste begreep precies wat er aan de hand was en schreeuwde de naam van zijn broertje door de winkel.

Dit duurde te lang. De angst sloeg om in paniek. Onze queeste stroomopwaarts oogstte geen enkel resultaat. Opeens kwamen wij bij een balie. Zo een waarbij je samen met een IKEA-mevrouw de juiste verlichting kunt uitzoeken. Wij snelden erheen. ‘Eh, mevrouw, kunt u me helpen? Ik ben mijn jongste zoontje kwijt,’ gaf ik toe als een vernederde dweil die door de mangel werd gehaald. Een ongeïnteresseerde opvoeder die waarschijnlijk zijn mobiel interessanter vond dan de wegen die zijn kinderen bewandelen.

Maar mevrouw leek van meer realiteitszin te getuigen dan ikzelf. Ze was begripvol, bleef heel kalm en vroeg een signalement. Dat belde ze door naar een collega. ‘Jannie, ik heb een kindje-kwijt voor je.’ Voor haar was dit meer een routineklus dan voor mij. ‘De in- en uitgang wordt vanaf nu bewaakt, en er gaan geen blonde jongetjes van twee jaar met zo’n jasje zomaar naar buiten,’ deelde ze mij mede. Dat gaf vertrouwen. ‘Over enkele minuten wordt er in de winkel een oproep gedaan zodat alle bezoekers naar hem kunnen uitkijken.’

Ik haalde mijn mobiel tevoorschijn om deze actie aan mijn meisje te melden. Op het scherm zag ik echter dat ik werd gebeld. Door haar.

‘Ik heb hem.’

Goddank. Downstream had een mevrouw zich over hem ontfermd en weer aan mijn meisje overhandigd. Stralend van geluk hing ik weer op en verontschuldigde ik me tegenover die mevrouw. Het was geen enkel probleem. Ze was blij dat hij weer terecht was. Ik ook. We renden stroomafwaarts om hem weer in onze armen te sluiten. ‘Kom jongens, jullie krijgen allebei vijftig cent om zelf een ijsje te tappen.’

 

Be the first to comment

Leave a comment

Your email address will not be published.