Misstap op de weg terug

De hoogtijdagen van mijn supporterscarrière liggen alweer een poosje achter me. Dat waren de seizoenen onder de beste trainer die we ooit hadden: Henk ten Cate. Die kwam naar Breda om te winnen, niet om vrienden te maken. Wie zich na een verliespot al te olijk in het feestgedruis stortte, kreeg ervan langs. Ik ben iets milder maar na deze pot had ik geen zin meer in een pilske. Ik liep verdoofd het stadion uit. Vol ongeloof fietste ik huiswaarts, mijn hoofd gevuld met kopzorgen over mijn geliefde clubje.

Clubs die een duw naar beneden hebben gehad, die moet je rustig weer opbouwen. Alleen met kleine succesjes is de weg terug naar boven stabiel. Met grote sprongen kom je soms een heel eind, maar je springt geheid een keer mis. Met die wijsheid in petto vond ik het beschamend dat men de hele zomer in misplaatste euforiestemming verkeerde, alsof het feestje op de Grote Markt al binnen handbereik was. Dat we de eerste twee wedstrijden keihard op onze bek gingen vond ik vreselijk. Maar de euforie smolt als sneeuw voor de zon.

Deze pot had anders moeten zijn. We speelden onze beste wedstrijd van het seizoen. Veel beter dan de tegenstander. Met zulk voetbal en zoveel kansen hing de geur van overwinning in de lucht. Mijn club speelde zoals ik ze zo graag zie spelen: aanvallend, sterk en dominant. Ik kon niet anders dan harder en harder schreeuwen. De twee Affligem Tripels die ik even tevoren in de stad dronk hadden daar niets mee te maken.

Met ons spel creëerden we kansen te over maar de enige die werd benut, viel ten prooi aan onkunde van de arbitrage. De belangrijkste drie punten tot nu bleven liggen. De periodetitel ging aan onze neus voorbij. En juist die periodetitel was, in mijn beleving, een van de eerste kleine stapjes op de weg terug.

Ik gruwelde bij de gedachte aan gesprekken op maandagochtend bij de koffieautomaat. Zogenaamde fans van eredivisieclubs, niet in het bezit van een seizoenskaart, maar wel van een grote waffel over voetbal zouden weer op sarcastische toon bij me informeren naar het door mij zo geliefde clubje. Ik zou op mijn beurt weer gaan doen alsof me dat geen reet kan schelen. Ik weet het, we zijn geen topclub en het beste aan mijn club is dat het mijn groepje vrienden aan elkaar gelijmd houdt. Ik ben daar blij mee en voor topvoetbal kijk ik wel Champions League. Maar met de sportieve successen van weleer is het heden een harde dobber. Van een promotiespook is nog geen sprake, wij moeten het doen met leuke feitjes over bieromzet en bezoekersaantallen.

De weg terug omhoog is er een van een met taart aanblijvende trainer, die later toch het veld moet ruimen, het bezoeken van de diepste krochten van de eerste divisie en een algemeen directeur wiens positie niet ter discussie staat. Daar kan het op een haar na missen van de zo fel begeerde periodetitel nog wel bij. Zuchtend probeerde ik daarin te berusten maar toen ik bij de Gamma linksaf sloeg, stond er plotseling een auto voorgesorteerd op het fietspad. Voor ik het besefte ontschoten me enkele onflatteuze benamingen die ik welgemikt naar het hoofd van de bestuurder slingerde.

Tering, wat ben ik hier ziek van.